Mijn ‘roots’ liggen op het strand, in Zandvoort op gegroeid, een moeder die op het strand werkte, familie van mijn vader die een strandtent hadden.
Mijn leven bestond uit strand en zee. In het hoogseizoen ging ik voor school mee naar het strand, en werd na school door iemand van het strand opgehaald. Wat voor weer het ook was. Op mijn zesde stond ik op een surfplank, hielp ik mee met de bedjes, wist ik alle strandtenten, en maakte ik dagelijks de mooiste druipzandkastelen. Altijd in mijn elemement, dat was mijn wereld. Ik had strandvriendjes, geen schoolvriendjes, zandkorrels tussen je broodje kaas hoorde erbij.
Er brak een periode aan van ‘anti-strand’ met heel veel oorzaken, maar ik was het ook zat. Een soort overkill leek het wel, ik ben geen echte Zandvoortse, en ook verhuist uit het dorp. Daar heb ik nooit spijt van gehad. De toeristen, het andere leven, niet voor mij weg gelegd.
Tot er rust kwam, toen begon het verlangen naar het strand. Bij de eerste vernieuwde kennismaking was ik op slag weer verliefd. De zandkorrels tussen mijn tenen en vingers, het bulderen van de zee, het zachtjes over je voeten stromen van het water. Maar ook de striemende zoute wind in je gezicht, en bij thuiskomst het zout op je lippen voelen.
Het is tweede pinksterdag, mijn vriendin vraagt (als we net uit het tuincentrum komen): “kun je nog een half uurtje wachten voor we een broodje gaan eten?” Ehm ja, hoezo? Dan gaan we een stukje rijden. We rijden door de stad, langs ‘ons’ huis, langs het water en de bollenvelden. Maar ik weet niet waar we heen gaan (al een avontuur op zich voor mij maar dat is voor later). Met glimoogjes kijk ik naar buiten, als een klein kind wat een verrassing krijgt. Tot we afslaan, Callantsoog, en dat staat voor strand, zee en zandkorrels. Mijn hart maakt een sprongetje. We gaan naar de zee. Het klinkt zo simpel, maar zandkorrels en de zee maken mij gelukkig. En dat weet mijn ‘lief’.


